Afstorting lijfrente en pensioen
Eisende partij is tot 2008 medeaandeelhouder/bestuurder geweest van P&S Holding. In 1995 hebben partijen een lijfrenteovereenkomst gesloten. Eisende partij heeft vanaf dat moment daarnaast een pensioenvoorziening opgebouwd in P&S Holding. Eisende partij stelt dat hij op grond van deze overeenkomsten vanaf 1 mei 2024 recht heeft op maandelijkse uitkeringen van lijfrente en pensioen. Omdat P&S Holding weigert die uitkeringen te betalen, vordert eisende partij in deze procedure (kort gezegd) afstorting van de lijfrente en het pensioen. De kantonrechter wijst die vorderingen grotendeels toe. De kantonrechter vindt dat voldoende is komen vast te staan dat eisende partij recht heeft op indexering van zijn pensioen, maar niet dat hij recht heeft op de rekenrente over de lijfrente. Het verweer van P&S Holding dat er is ‘geknoeid’ met documenten wordt verworpen. Dat geldt ook voor het verweer van P&S Holding dat zij niet tot uitbetaling hoeft over te gaan totdat een te benoemen actuaris door eisende partij volledig is geïnformeerd over de afspraken tussen eisende partij en zijn ex-echtgenote over verevening van het pensioen. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat de ex-echtgenote van eisende partij binnen twee jaar na de echtscheiding aan P&S Holding heeft meegedeeld dat er tot pensioenverevening moet worden overgegaan.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 10-12-2025