Naar boven ↑

ALGEMENE MEDEDELING

In de loop van januari 2025 wordt deze online omgeving geïntegreerd in Boomportaal (www.boomportaal.nl), waarna deze omgeving wordt opgeheven. Vanaf dat moment linkt deze URL automatisch door naar Boomportaal.

1.971 resultaten

Rechtspraak

PR 2021-0177

Geen beëindigingsovereenkomst tot stand gekomen wegens pensioengeschil, rechter ontbindt arbeidsovereenkomst

Kern van het geschil is de vraag of er een beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen werkgever op Sint Maarten en werknemer. Uit de vaststaande feiten volgt onmiskenbaar dat zekerheid omtrent de pensioenkwestie voor appellant van doorslaggevend belang was om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan, aldus het Hof. Appellant heeft duidelijk aangegeven dat zij het beëindigingsvoorstel van RBC pas wil ondertekenen nadat de onduidelijkheden omtrent haar pensioen zijn opgehelderd. Waar het om gaat, is dat voor RBC evident was, althans moest zijn, dat appellant aan haar instemming met de beëindiging de voorwaarde had verbonden dat zij de zekerheid had dat haar pensioen- en accessoire rechten (bij een verzekeringsmaatschappij) verzekerd waren. Nu die voorwaarde niet was vervuld, was geen sprake van wilsovereenstemming c.q. een gerechtvaardigd vertrouwen daarop. Uit de vaststaande feiten blijkt dat appellant ook graag afscheid wil nemen van RBC en alleen de pensioenkwestie aan een afscheid in goed onderling overleg in de weg heeft gestaan. In die omstandigheden is sprake van een verandering in de omstandigheden die meebrengt dat de dienstbetrekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te eindigen. Gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de duur van de dienstbetrekking, de leeftijd van appellant en het feit dat RBC dat bedrag bij een beëindiging in onderling overleg (zie het voorstel van 20 december 2019, productie 13 inleidend verzoekschrift) bereid was te betalen, komt een vergoeding van NAf 667.614,32 bruto billijk voor, onder aftrek van eventuele loonbetalingen na 31 december 2019 nu tussen partijen vaststaat dat appellant daarna niet meer gewerkt heeft noch daarvoor beschikbaar was. Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal RBC in de gelegenheid worden gesteld het verzoek in te trekken.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 29-06-2021

Rechtspraak

PR 2021-0168

Geen opheffing executoriale beslagen voor dwangsommen 1 miljoen wegens niet tijdig afstorten pensioen

Executiegeschil. Na echtscheiding is de bv van de man (DGA) veroordeeld om het deel van het ouderdomspensioen af te storten. Vervolgens heeft de vrouw na kort geding een vonnis verkregen waarin eiser veroordeeld is tot dwangsommen van € 25.000 per dag met een maximum van € 1 miljoen. De vrouw heeft na het verlopen van de tijd laten weten dat de dwangsommen waren verbeurd tot een bedrag van (toen) € 75.000. Daarna is executoriaal beslag gelegd. Eind 2020 is het bedrag dat benodigd was voor het werknemerspensioen afgestort. Eiser vordert opheffing van de beslagen en opheffing van de dwangsomveroordeling. De rechtbank oordeelt dat voorshands niet onaannemelijk is dat eiser een bedrag aan dwangsommen verbeurd heeft, gelet op het feit dat het bedrag voor het werknemerspensioen van gedaagde pas eind 2020 is afgestort. Vooralsnog is niet gebleken dat eiser door de door gedaagde gelegde executoriale beslagen zwaar getroffen is. Het belang van gedaagde bij handhaving van de executoriale beslagen wordt dan ook geacht zwaarder te wegen dan dat van eiser bij opheffing daarvan. De dwangsom op nakoming door eiser van veroordeling punt 5.2 van het vonnis dient (voor de toekomst) te worden opgeheven omdat vaststaat dat eiser deze veroordeling inmiddels is nagekomen, en de dwangsom op nakoming door eiser van veroordeling punt 5.4 van het vonnis dient te worden opgeheven omdat vaststaat dat nakoming door eiser (inmiddels) blijvend onmogelijk is.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 30-07-2021