Geen nietig dwangbevel door ontbrekende aanmaning; beroep op verjaring slaagt niet
Geschil over de rechtsgeldigheid van het dwangbevel wegens een ontbrekende aanmaning. In 2019 stuurt het Bpf Bouw een premienota, stellend dat de werkgever vanaf 2012 onder de werkingssfeer valt. Nadat deze niet wordt betaald vaardigt Bpf Bouw een dwangbevel uit. De werkgever valt vanaf 2012 onder de verplichtstelling. De werkgever stelt dat het dwangbevel nietig is, want niet vooraf is gegaan door een aanmaning als bedoeld in artikel 21 lid 1 Wet Bpf 2000. De rechtbank oordeelt dat dit geen nietigheid meebrengt. Partijen hebben veelvuldig over de premievordering gecorrespondeerd. Het Bpf heeft zelfs het faillissement van werkgever aangevraagd, zodat werkgever voldoende bekend was met de premievordering. De werkgever voert vervolgens aan dat de vordering voor de premies voorafgaand aan 2014 zijn verjaard. Dat verjaringsverweer verwerpt de rechtbank. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verzet zich tegen beroep op verjaring nu het aan werkgever is toe te rekenen dat hij onbekend is gebleven, waardoor het bedrijfstakpensioenfonds jarenlang niet in staat is geweest zijn vorderingen in te stellen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 25-03-2021