Naar boven ↑

PR Updates biedt actuele rechtspraak over het pensioenrecht. De samenvattingen worden wekelijks bijgewerkt en voorzien van links naar rechtspraak.nl. Met de gratis maandelijkse nieuwsbrief blijft u volledig op de hoogte. Met een abonnement kunt u alle samenvattingen doorzoeken en lezen op PR Updates.

1.044 resultaten

Rechtspraak

PR 2022-0195

Dwangakkoord opgelegd ondanks weigering instemming Bpf Beroepsvervoer.

Verzoekers bevinden zich in een problematische schuldensituatie. Zij hebben een voorstel gedaan aan hun schuldeisers, waarbij een deel van de vordering(en) wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, hebben de heer en mevrouw [verzoekers01] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. Het voorstel dat de heer en mevrouw [verzoekers01] aan hun schuldeisers hebben gedaan, is in de gegeven omstandigheden het maximaal haalbare. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP. Bij de vraag of een aangeboden akkoord dwingend kan worden opgelegd, dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van de weigerende schuldeiser(s) en de belangen van zowel verzoeker(s) zelf als die van de overige schuldeiser(s). De rechtbank kan het dwangakkoord ook toewijzen wanneer de weigerende schuldeisers het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. In dit geval is ook van belang dat de schuldeisers met een meerderheid van het aantal schulden (namelijk negen van de zestien schulden), die samen (ruim) 36,67% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, wél met de aangeboden regeling hebben ingestemd. De goedetrouwtoets zoals deze bij toelating tot de schuldsanering wordt toegepast, is in dit verband niet aan de orde.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 06-10-2022

Rechtspraak

PR 2022-0193

Herstel arbeidsovereenkomst metrobestuurder na ontbinding.

Het hof ziet aanleiding de arbeidsovereenkomst van een metrobestuurder met GVB te (doen) herstellen per 1 november 2018. De arbeidsovereenkomst is per die datum ten onrechte ontbonden. De praktische bezwaren van GVB tegen deze hersteldatum wegen niet op tegen het redelijke belang van werknemer (verzoeker) om financieel gezien zo veel als redelijkerwijs mogelijk in een positie te komen alsof de ontbinding niet heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft recht op betaling van loon, met de daarover van toepassing zijnde cao- verhogingen en emolumenten, en op de afdracht van pensioenpremies, een en ander te berekenen vanaf 1 november 2018. Het hof zal met het loon dat verzoeker van Securitas heeft genoten wel rekening houden door te bepalen dat dit loon in mindering strekt op wat GVB aan hem dient te betalen. Over dit loon c.a. is geen wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd, omdat de betalingsverplichting van GVB pas na herstel van de arbeidsovereenkomst ontstaat. Er is dus nog geen sprake van een vertraging in de betaling van loon in de zin van artikel 7:625 lid 1 BW en ook nog geen verzuim in de zin van artikel 6:119 BW. Verzoeker wordt zo veel als redelijkerwijs mogelijk qua inkomen in de positie gebracht alsof hij nooit uit dienst is geweest. Passend is dat verzoeker de aan hem uitgekeerde transitievergoeding moet terugbetalen, in die zin dat die vergoeding bruto in mindering wordt gebracht op wat verzoeker nog bruto van GVB dient te ontvangen. Het verzoek tot werkhervatting wordt toegewezen.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11-10-2022

Rechtspraak

PR 2022-0192

Afwikkeling vermogensbestanddelen na echtscheiding. Pensioen is opgebouwd voor huwelijk, valt niet in gemeenschap en komt niet voor verevening in aanmerking.

Geschil over afwikkeling vermogensbestanddelen na echtscheiding. Het primaire verzoek van de man in het principaal hoger beroep, dat is gebaseerd op een tussen partijen gesloten overeenkomst, zal worden afgewezen. Voor zover de man namens X BV een verzoek heeft ingediend zal hij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De aanspraak van de vrouw uit hoofde van haar aandeel in de stamrechtuitkering dient te worden verminderd met daarover te heffen belasting en de vrouw dient aan de man een bedrag van € 10.703,50 te voldoen. Nu partijen ervan uitgaan dat de uitkering aan de vrouw kan worden verrekend met het aandeel van de vrouw in de schuld van de gemeenschap aan X BV, zal het hof daarbij aansluiten met dien verstande dat de man dan jegens de vrouw is gehouden de schuld van de gemeenschap aan X BV over te nemen en geheel voor zijn rekening te nemen zonder regres. Het door de vrouw in Engeland opgebouwde pensioen valt onder de werking van de Wvps en is opgebouwd voorafgaande aan het huwelijk. Dat pensioen valt niet in de gemeenschap en komt niet voor verevening in aanmerking. Hetzelfde geldt dan voor het daar op behaalde rendement tijdens het huwelijk. Het verzoek van de vrouw betreffende de Opbouwspaarrekening is met een wijze van afwikkeling die beide partijen zullen volgen opgelost. De verdeling van de Aegon polis zal worden toegewezen als verzocht.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 04-10-2022

Rechtspraak

PR 2022-0191

Eenzijdige wijziging reiskostenregeling wegens overstap bedrijfstak en cao Vlees naar bedrijfstak slagersbedrijf niet rechtsgeldig.

In geschil is of de werkgever de reiskostenregeling van een werknemer eenzijdig mag wijzigen. Werkgever MFN stelt op grond van besluitvorming van de bedrijfstakpensioenfondsen VLEP en Slagers en een vonnis van de kantonrechter in Utrecht van 5 december 2018, verplicht te zijn om niet langer de cao Vlees, maar de (destijds algemeen verbindend verklaarde) cao Slagers binnen haar onderneming toe te passen. De harmonisatie treft alle werknemers binnen de onderneming en is het resultaat van een zorgvuldig met de Gemeenschappelijke Ondernemingsraad (GOR) doorlopen proces. Het belang van verweerder bij voortzetting van de reiskostenregeling uit zijn arbeidsovereenkomst is financieel van aard. Hij mist maandelijks een bedrag van € 103,52 netto per maand aan reiskostenvergoeding en dit betreft een wezenlijk deel van zijn inkomen. Naar het oordeel van het hof hoeft dat belang van verweerder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet te wijken voor de door MFN gestelde belangen. De door MFN gevoelde noodzaak tot harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden en het aanbieden van eenduidige arbeidsvoorwaarden uit hoofde van goed werkgeverschap zijn niet aan te merken als een zodanig zwaarwichtig belang dat MFN daarin voldoende reden en aanleiding had om ten nadele van verweerder een wijziging na te streven van de individueel met hem overeengekomen reiskostenvergoeding. Die wijziging is niet ingegeven door zwaarwichtige bedrijfseconomische of organisatorische omstandigheden of financiële moeilijkheden bij MFN. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat de cao Slagers een minimum-cao is, waarvan in het voordeel van een werknemer mag worden afgeweken. Voor de opvatting van MFN dat dit niet geldt voor gunstiger afspraken die zijn gemaakt voordat toepasselijkheid van de cao Slagers in beeld kwam, ziet het hof geen toereikende grondslag.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 11-10-2022

Rechtspraak

PR 2022-0189

Klacht dat notaris bij testament niet heeft geïnformeerd over uitfasering eigen beheer is ongegrond.

De notaris heeft in december 2017 een testament gepasseerd van de overleden zwager van klagers (hierna: erflater). Erflater was enig aandeelhouder van een besloten vennootschap. Deze vennootschap had een pensioenregeling in eigen beheer. Een half jaar voor het passeren is de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen (hierna: de Wup) in werking getreden. De notaris heeft volgens klagers in strijd met zijn zorgplicht gehandeld doordat hij niet met de fiscaal nadelige gevolgen van deze wet rekening heeft gehouden. De notaris heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet op de hoogte was van het feit dat de bv een pensioenregeling in eigen beheer had die omgezet was naar een oudedagsverplichting. Er is niet gebleken van omstandigheden die zouden leiden tot de conclusie dat de notaris het bestaan van de pensioenregeling ergens uit heeft moeten afleiden; de eerdere testamenten gaven hiertoe ook geen aanleiding. Om dezelfde redenen was er voor de notaris dus ook geen aanleiding om bij erflater aan te dringen op voorafgaand advies van een fiscaal adviseur. De notaris heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan. De notaris heeft gevraagd naar de omvang en samenstelling van het vermogen van erflater, maar erflater heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij daarin geen inzicht wilde verschaffen.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18-10-2022