Naar boven ↑

PR Updates biedt actuele rechtspraak over het pensioenrecht. De samenvattingen worden wekelijks bijgewerkt en voorzien van links naar rechtspraak.nl. Met de gratis maandelijkse nieuwsbrief blijft u volledig op de hoogte. Met een abonnement kunt u alle samenvattingen doorzoeken en lezen op PR Updates.

1.068 resultaten

Rechtspraak

PR 2023-0013

Niet aanbieden variabele uitkering aan ‘US person’ geen discriminatie naar nationaliteit.

Een man met de Amerikaanse nationaliteit wil een variabele pensioenuitkering bij Nationale-Nederlanden aankopen. Dit wordt hem geweigerd, omdat hij als ‘US person’ wordt beschouwd. Het is een vaste oordelenlijn van het College voor de Rechten van de Mens dat de gelijkebehandelingswetgeving in beginsel aanbieders van diensten de ruimte biedt om zelf de aard en omvang van de dienstverlening te bepalen. Uit deze wetgeving volgt dan ook niet dat een aanbieder van goederen of diensten verplicht is om het aanbod zo uit te breiden of in te richten dat iedereen daarvan gebruik kan maken. Het College constateert dat ‘US persons’ de mogelijkheid hebben om een vaste pensioenuitkering bij Nationale-Nederlanden aan te kopen. Hiernaast kan niet worden uitgesloten dat de Amerikaanse toezichtwetgeving van toepassing is op het handelen van Nationale-Nederlanden. Dit betekent dat Nationale-Nederlanden zich als broker/dealer zou moeten registreren, aan controles en informatieverplichtingen kan worden onderworpen en mogelijk haar producten moet aanpassen. De gelijkebehandelingswetgeving gaat naar het oordeel van het College niet zo ver dat Nationale-Nederlanden haar aanbod zodanig moet uitbreiden dat zij voldoet aan de eisen van de Amerikaanse toezichtwetgeving en de toezichthoudende instanties. Nationale Nederlanden heeft geen verboden onderscheid op grond van nationaliteit gemaakt door de man geen variabele pensioenuitkering aan te bieden.
College voor de Rechten van de Mens, 22-12-2022

Rechtspraak

PR 2023-0011

Rechtbank verwijst zaak over korting Reiswerk en waardeoverdracht naar PGB naar sector kanton.

Eisers stellen dat de collectieve waardeoverdracht door Reiswerk aan PGB, waarvoor DNB toestemming heeft gegeven, in strijd is met artikel 17 van het EU Handvest. De waardeoverdracht maakt immers inbreuk op hun pensioen dat als vermogens- of eigendomsrecht moet worden aangemerkt. Eisers hebben in hun dagvaarding benadrukt dat zij niet vorderen dat de waardeoverdracht naar PGB ‘van tafel gaat’ en dat zij evenmin een schadevergoeding van gedaagden vorderen. Het gaat hen in deze procedure om ‘de principiële vraag of een korting van pensioen van (bijna) 20% in het kader van een collectieve waardeoverdracht zich verdraagt met EU-wetgeving’. Reiswerk en PGB stellen dat de zaak in verband met het bepaalde in artikel 93 sub c althans d Rv in verbinding met artikel 216 Pw moet worden verwezen naar de kamer van kantonzaken van deze rechtbank nu sprake is van een pensioenrechtelijk geschil. De zinsnede in artikel 216 Pw ‘vorderingen uit hoofde van’ wordt naar vaste rechtspraak, veelal met een verwijzing naar de memorie van toelichting behorende bij artikel 216 Pw, ruim uitgelegd. Daarmee vallen niet alleen vorderingen tot nakoming van pensioenovereenkomsten of -reglementen onder het artikel, maar ook bijvoorbeeld een vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad bestaande uit schending van de overeenkomsten of reglementen, en vorderingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde premie. Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat PGB c.s. inbreuk hebben gemaakt op hun pensioenrechten en -aanspraken die voortvloeien uit de desbetreffende pensioenreglementen. Aldus valt de vordering onder het bereik van artikel 216 Pw. Dat eisers hun vordering hebben gegrond op het EU Handvest – en niet bijvoorbeeld op onrechtmatige daad of een tekortkoming – maakt dat niet anders aangezien de vordering is gericht op bescherming althans het vaststellen van aanspraken en rechten uit een pensioenreglement. Dat geldt niet alleen voor de vordering tegen Reiswerk en PGB, maar ook voor die tegen DNB.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 07-12-2022

Rechtspraak

PR 2023-0007

Geen kennelijk onbehoorlijk bestuur: geen bestuurdersaansprakelijkheid jegens bedrijfstakpensioenfonds Rijn- en Binnenvaart.

Op 1 november 2017 zijn Contango en Mome door het bedrijfstakpensioenfonds Rijn- en Binnenvaart (BPRB) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de achterstallige pensioenpremienota’s over de jaren 2013 t/m 2015 (totaal € 149.841,88). Rode draad in deze zaak is de vraag of geïntimeerde sub 1 c.s. in de periode waarin zij bestuurders waren van Argos Logistics (Contango was bestuurder en geïntimeerde sub 1 via Contango indirect bestuurder) redelijkerwijs hadden behoren te weten dat er sprake was van achterstallige premies en maatregelen hadden moeten treffen om ervoor te zorgen dat Argos Logistics alsnog op juiste wijze aan haar premieplicht kon voldoen. Het hof is, met de kantonrechter, van oordeel dat op geïntimeerde sub 1 c.s. in de gegeven omstandigheden geen dermate verstrekkende onderzoeksplicht rustte als BPRB voorstaat. Die onderzoeksplicht komt erop neer dat geïntimeerde sub 1 c.s. zich er voorafgaand aan de dividenduitkering persoonlijk van hadden moeten vergewissen dat de vóór hun bestuursperiode aan BPRB verstrekte loongegevens juist en volledig waren verstrekt, ook al was dit uitbesteed aan een extern, professioneel bureau en waren er geen indicaties dat er onjuiste opgaven waren gedaan en herziene premienota’s te verwachten waren. Het onbetaald gebleven zijn van de herziene premienota’s is niet te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van geïntimeerde sub 1 c.s. (waarvoor als criterium geldt dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld). Derhalve kan evenmin worden geoordeeld dat hun handelen onrechtmatig is geweest. Van het onbetaald gebleven zijn van de herziene premienota’s kan hun niet persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13-12-2022

Rechtspraak

PR 2023-0005

Ex-militair verliest deel pensioenopbouw wachtgeldregeling bij herindiensttreding.

Deze zaak gaat over de vraag of een ex-militair die op basis van de voor hem geldende wachtgeldregeling voor militairen voor 50% pensioen blijft opbouwen, deze pensioenopbouw (gedeeltelijk) verliest als hij opnieuw in dienst treedt bij de overheid. Volgens de ex-militair volgt uit het toepasselijke ABP Pensioenreglement dat dat niet het geval is, terwijl de Staat de tegenovergestelde mening is toegedaan. Verder is de ex-militair van mening dat als de lezing van de Staat juist zou zijn, er sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van militairen die met vervroegd pensioen zijn gegaan. Het hof acht het onaannemelijk dat door de sociale partners is beoogd in het kader van het tweede lid van artikel 17.1.6 ABP Pensioenreglement een onderscheid te maken tussen deelnemers met een deeltijddienstverhouding en deelnemers met een voltijddienstverhouding. Immers, zonder nadere toelichting waarom een dergelijk onderscheid in dit geval gerechtvaardigd is, zou zeer waarschijnlijk sprake zijn van een verboden onderscheid tussen voltijders en deeltijders. De conclusie is dat het hof van oordeel is dat artikel 17.1.6 lid 2 ook moet worden toegepast op voltijders, zoals verweerder. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel faalt. Bij militairen met een UGM-uitkering is het uitgangspunt dat zij geen nieuwe functie (met pensioenopbouw) zullen gaan vervullen, terwijl het uitgangspunt bij militairen met een wachtgeldregeling is dat dit wel het geval is. Dit alles betekent dat (ook) in het kader van de pensioenopbouw na wederindiensttreding sprake is van twee objectief te onderscheiden groepen. Het hof acht het dan ook gerechtvaardigd dat de Staat in het kader van de uitvoeringspraktijk van artikel 17.1.6 ABP Pensioenreglement onderscheid heeft gemaakt tussen beide groepen. Dit onderscheid is overigens inmiddels ook geformaliseerd in het ABP Pensioenreglement van 2020.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 13-12-2022

Rechtspraak

PR 2023-0004

Uitleg overrentedeling bij verzekeraar, vordering schadevergoeding verjaard.

Het gaat in deze procedure om de vraag welke rechten Oude Reimer B.V. en haar werknemers kunnen ontlenen aan de collectieve pensioenverzekering die Oude Reimer B.V. vanaf 1996 bij Centraal Beheer, de rechtsvoorgangster van Achmea, heeft afgesloten. Het hof heeft in het laatste tussenarrest een groot aantal beslissingen gegeven over de primaire vorderingen die Oude Reimer c.s. heeft ingesteld en partijen de gelegenheid gegeven zich uit te laten over hun belangen bij de vorderingen (inclusief die in het incidenteel hoger beroep) na die beslissingen. Het hof heeft in het tussenarrest van 14 september 2021 de door Oude Reimer c.s. bepleite uitleg van de overrentedelingsregeling verworpen. Het hof heeft in het tussenarrest ten aanzien van de subsidiaire vordering tot schadevergoeding beslist dat Achmea haar informatieplicht heeft geschonden en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aannemelijkheid en hoogte van de daardoor door Oude Reimer c.s. geleden schade. Het hof zal ten aanzien van enkele door Oude Reimer c.s. opgeworpen punten het tussenarrest aanvullen en verbeteren (onder I). Dit leidt er echter niet toe dat het hof terugkomt op eerder genomen beslissingen. Het hof beslist dat de vorderingen van Oude Reimer c.s. worden afgewezen. Het hof oordeelt onder meer dat de grondslagen voor vernietiging en schadevergoeding zijn verjaard.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-12-2022