Naar boven ↑

PR Updates biedt actuele rechtspraak over het pensioenrecht. De samenvattingen worden wekelijks bijgewerkt en voorzien van links naar rechtspraak.nl. Met de gratis maandelijkse nieuwsbrief blijft u volledig op de hoogte. Met een abonnement kunt u alle samenvattingen doorzoeken en lezen op PR Updates.

873 resultaten

Rechtspraak

PR 2022-0014

Rechtbank oordeelt dat eerste ex bedrag verschuldigd is aan tweede ex of man. De man moet pensioen overmaken aan zijn eerste ex

In deze procedure heeft de vrouw A haar ex-man (de man), van wie zij in 2008 is gescheiden, gedagvaard, net als de eerste echtgenote van de man, de vrouw B, van wie de man in 1992 is gescheiden. Gedurende de procedure is gebleken dat de vrouw B en de man ook onderling vorderingen tegen elkaar wilden instellen die verband hielden met de vordering van de vrouw A. De rechtbank heeft de man toegestaan in de procedure tussen te komen en een vordering in te stellen tegen de vrouw B. De rechtbank oordeelt dat de vrouw B van het aan haar, door uitbetaling van de spaarverzekering ten goede gekomen bedrag een bedrag van € 177.043,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2016, aan de vrouw A en/of de man verschuldigd is. De door haar te betalen wettelijke rente is per datum vonnis een bedrag van € 20.775,36. Het in totaal verschuldigde bedrag is € 197.819,28. De vrouw B mag op het door haar verschuldigde bedrag in verband met pensioenaanspraken inclusief wettelijke rente tot en met 31 oktober 2021 in mindering brengen een bedrag van € 72.651,40. Dan resteert een door haar te betalen bedrag van € 125.167,88. De rechtbank zal de man daarnaast veroordelen maandelijks, na ontvangst van zijn pensioen, een bedrag van € 978,22 aan de vrouw B over te maken, te beginnen op de laatste dag van de maand november 2021.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 17-11-2021

Rechtspraak

PR 2022-0010

Geen uitzondering op wettelijke pensioenverevening

Geschil na echtscheiding. De man stelt in hoger beroep dat ten onrechte is beslist dat zijn pensioen verevend moet worden conform de WVPS. De omstandigheden waar de man zich op beroept, die volgens hem aanleiding geven voor het terzijde stellen van de Wvps, komen er in de kern op neer dat de vrouw – anders dan de man – over een groot (ondernemings)vermogen beschikt, waarmee zij op termijn in haar oude dag kan voorzien. Het hof oordeelt dat de WVPS van toepassing is. Partijen hebben de toepasselijkheid van die wet niet uitgesloten en de feiten en omstandigheden zijn ook niet zodanig dat toepassing van de wet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Haar vermogen (de aandelen) heeft de vrouw verkregen door schenking met een uitsluitingsclausule. Dat zij de waarde van die aandelen niet hoeft te delen met de man ligt dus buiten de invloedsfeer van de vrouw. Verder heeft de vrouw onweersproken verklaard dat haar inkomsten bestaan uit de winst uit de lingeriewinkel en een jaarlijks dividend uit haar vennootschap en dat zij daarmee een gemiddeld maandelijks netto-inkomen van rond de € 2.200 heeft. Van dit inkomen moeten zij en de bij haar inwonende jongmeerderjarige zoon in hun levensonderhoud voorzien. Ook heeft de vrouw onweersproken verklaard dat zij geen pensioenvoorziening heeft en deze ook niet kan betalen, mede omdat zij vanwege gezondheidsklachten een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft en in stand wil laten.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-12-2021

Rechtspraak

PR 2022-0009

Intrekking vrijstelling door bedrijfstakpensioenfonds Hibin niet terecht, vrijstelling herleeft

Diverse ondernemingen hebben een (groeps)vrijstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Hibin (Bpf). Het bpf trekt de vrijstellingen in omdat de ondernemingen niet langer onderdeel zijn van de groep en niet voldaan zou zijn aan de eis van actuariële gelijkwaardigheid. De rechtbank oordeelt dat de vrijstellingen niet zijn verleend onder de voorwaarden dat de ondernemingen deel zijn blijven uitmaken van de CRH groep of – voor een van de ondernemingen – dat de vrijstelling daarna is verlengd zonder het groepscriterium opnieuw te benoemen. Door zich uitsluitend te baseren op de feitelijke dekkingsgraad (terwijl het ook de premiedekkingsgraad mede in ogenschouw had kunnen nemen) heeft het pensioenfonds de vereiste belangen van de deelnemers niet kenbaar in zijn afwegingen betrokken. Mede in aanmerking genomen dat als gevolg van de situatie op de financiële markten niet alleen het CRH pensioenfonds maar ook het Bpf HiBiN te maken heeft met een lagere dekkingsgraad dan 100% en een daling van dekkingsgraad tot onder het (minimum) vereist vermogen, alsmede het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om vooralsnog de pensioenfondsen niet te verplichten om op de pensioenen te korten, heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet kunnen overgaan tot intrekking van de vrijstellingen.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23-12-2020

Rechtspraak

PR 2022-0008

Werkgever met kwart omzet bedrukte kleding valt door ontbreken hoofdzakelijkheidscriterium onder werkingssfeer MITT

Geschil over vraag of werkgever onder werkingssfeer bedrijfstakpensioenfonds MITT valt. Woltex erkent dat zij op verzoek van de klant ook bedrijfskleding bedrukt of laat borduren, en dat zij daarmee taalkundig gezien zou kunnen worden aangemerkt als werkgever in de MITT. Woltex meent echter dat de mate waarin zij deze activiteiten (doet) verricht(en) zo gering is, dat zij feitelijk gelijkgesteld moet worden aan een bedrijf dat geen activiteiten verricht die onder het Verplichtstellingsbesluit vallen. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet. De omzet van Woltex wordt voor 60% gegenereerd door verkoop van beschermingsmiddelen, en voor 40% door verkoop van bedrijfskleding. Van die 40% kleding is ongeveer 60% voorzien van een logo of bedrijfsnaam. Daarmee moet als vaststaand worden aangenomen dat in ieder geval 24% van de omzet van Woltex bestaat uit de verkoop van bedrijfskleding met een logo of bedrijfsnaam, die Woltex daarop heeft gedrukt of laten borduren. De relevante omzet is de omzet die is behaald uit de verkoop van bedrukte en geborduurde kleding. Die is een bijna een kwart, en dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet zo marginaal dat dit als verwaarloosbaar gekwalificeerd kan worden. De premievordering is niet verjaard. Op grond van het uitvoeringsreglement was de premie pas opeisbaar na verzending van de premienota.
Rechtbank Noord-Holland, 08-12-2021