Naar boven ↑

PR Updates biedt actuele rechtspraak over het pensioenrecht. De samenvattingen worden wekelijks bijgewerkt en voorzien van links naar rechtspraak.nl. Met de gratis maandelijkse nieuwsbrief blijft u volledig op de hoogte. Met een abonnement kunt u alle samenvattingen doorzoeken en lezen op PR Updates.

932 resultaten

Rechtspraak

PR 2022-0063

Alimentatieverplichting tot pensioengerechtigde leeftijd vrouw: 65 jaar of AOW-gerechtigde leeftijd?

Geschil tussen ex-echtelieden over de lengte van de alimentatieverplichting. In de vaststellingsovereenkomst uit 2009 is opgenomen dat de letterlijke tekst prevaleert boven partijbedoelingen. In de overeenkomst staat dat de partneralimentatie eindigt op de dag dat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, te weten op [geboortedatum van de vrouw] 2021. Op die dag – zij was toen 64 jaar geworden – is de man gestopt met betalen. De curator (de vrouw staat onder curatele) meent dat is overeengekomen dat de partneralimentatie eindigt tot de pensioenleeftijd van 2024, althans 2022. De rechtbank oordeelt dat uit de woorden ‘te weten’ blijkt dat partijen bedoeld hebben om met de opgenomen datum een verduidelijking te geven van het moment waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Kijkend naar het toenmalige artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet zou de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd bereiken als zij 65 jaar was. Dat zou zijn op [ geboortedag de vrouw] 2022. Een ruime uitleg van het begrip ‘de pensioengerechtigde leeftijd’ tot de nadien gewijzigde AOW-leeftijd leidend tot 2024 verhoudt zich niet met de rest van de overeenkomst en met name de bepaling dat de man en de vrouw een zo letterlijk mogelijke uitleg wensten van de overeenkomst. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst was de pensioenleeftijd immers 65 jaar.
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 09-11-2021

Rechtspraak

PR 2022-0061

Herzieningsverzoek t.a.v. pensioen afgewezen

Geschil over een te laag ouderdomspensioen van ex-werknemer bij ABP die in dienst was van college. Kern van het geschil is dat het ABP de brief van het college aan het ABP van 17 augustus 1998 ter zake van de wachtgeldregeling van verzoeker en de daardoor verminderde opbouw van pensioenrechten, niet heeft ontvangen, waardoor het ABP verzoeker vervolgens niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om premie bij te storten. De schadeoorzaak is privaatrechtelijk van aard. De beslissing van het college hierover is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker heeft in het verzoek om herziening, samengevat, naar voren gebracht dat het college een oneerlijke proceshouding heeft ingenomen in de toenmalige procedure, omdat hem pas naar aanleiding van zijn WOB-verzoek in 2018 een document van 2 februari 2011 bekend is geworden. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, omdat deze, waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. De door verzoeker genoemde geldstromen zien op correcties van pensioenafdrachten ter uitvoering van het ingetrokken ontslag per 1 oktober 1994 tot de datum van het daadwerkelijke ontslag per 1 april 1998. Met de door verzoeker gestelde schadeoorzaak in 1998 houden deze betalingen dus geen verband. Het verzoek om herziening wordt afgewezen.
Centrale Raad van Beroep, 20-01-2022

Rechtspraak

PR 2022-0058

Pensioenschade PMT na waardeoverdracht verzekeraar gevolgd door korting gedeeltelijk verjaard; schade nog niet bekend vóór pensioendatum

Pensioenaanspraken van werknemer zijn vanuit NN via collectieve waardeoverdracht overgedragen aan PMT. In de brief van NN stond onder meer dat de overdracht geen financiële gevolgen heeft. Vervolgens heeft PMT het pensioen gekort met 6,3% in 2013 en met 0,4% in 2014. N.a.v. het arrest van 8 mei 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:958) heeft eiser op 28 oktober 2018 PMT aangeschreven de pensioenkortingen te compenseren. PMT wijst dat af omdat het arrest een uitkeringsgerechtigde betrof. Met PMT is de kantonrechter van oordeel dat thans nog niet vast te stellen valt of eiser wel schade zal lijden of niet. Naar het oordeel van de kantonrechter was februari 2013 het moment dat bij eiser een bel had moeten rinkelen, dat de verlaging van zijn pensioen wellicht in strijd was met hetgeen PMT hem in de brief van 27 november 2007 had bevestigd over de financiële gevolgen van de overgang van zijn pensioenrechten van NN naar PMT. Daarmee is de verjaringstermijn van vijf jaar op dat moment aangevangen. De verjaringstermijn is aangevangen in februari 2013 en dus geëindigd in februari 2018. Eiser heeft zich pas in oktober 2018 bij PMT gemeld en dat is dus nadat de vordering, althans wat betreft de pensioenkorting van 6,3% uit 2013, verjaard was. De aanspraak van eiser op ongedaanmaking van de pensioenkorting van 0,4% uit 2014 is echter nog niet verjaard. Eiser heeft echter (nog) geen schade geleden volgens de kantonrechter. Eiser heeft onvoldoende gesteld dat de pensioenkortingen uit 2013 en 2014 onomkeerbaar zijn, bijvoorbeeld omdat de toezegging van PMT uit 2007 dat de overdracht van de pensioenaanspraken geen financiële gevolgen heeft ook inhoudt dat eiser niet de vruchten kan plukken van toekomstige indexeringen bij PMT. Alleen dan zou er sprake zijn van reeds werkelijk geleden schade, die niet meer hersteld kan worden. Nu eiser daarvoor onvoldoende heeft gesteld, zeker nadat PMT op dat punt verweer heeft gevoerd, zal de vordering van eiser ook wat betreft de pensioenkorting van 0,4% uit 2014 worden afgewezen.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11-01-2022

Rechtspraak

PR 2022-0057

Werkgever heeft niet redelijk gehandeld bij opzegging uitvoeringsovereenkomst omdat voorzienbaar was dat werknemer indexatieschade zou oplopen

Werknemer heeft tot aan einde arbeidsovereenkomst per 1 februari 2009 deelgenomen aan een eindloonregeling. Werkgever heeft de uitvoeringsovereenkomst beëindigd. Van 2006 t/m 2015 is de pensioenuitkering geïndexeerd. In 2017 is hem meegedeeld dat er onvoldoende middelen waren om zijn pensioen te indexeren. Werknemer verzet zich daartegen. De rechtbank wees zijn vorderingen af. Het hof oordeelt dat het voor werkgever voorzienbaar was dat er door het niet verlengen van de UVO 2011 geen indexeringen meer zouden plaatsvinden op het ingegane pensioen van werknemer. Het was voor werkgever dus ook voorzienbaar dat werknemer wezenlijke schade zou lijden als gevolg van zijn hiervoor bedoelde besluiten. Bij deze stand van zaken had van werkgever mogen worden verlangd zodanige afspraken te maken met Zwitserleven over toekomstige toevoegingen aan de bestemmingsreserve, waaronder een vervanging voor de niet meer te verlenen kwantumkorting en de volledige winstdeling en zonder afroming door administratiekosten, dat het ingegane pensioen van werknemer met ingang van 1 januari 2016 in dezelfde mate, respectievelijk met dezelfde consistentie als bedoeld in artikel 95 Pw, zou kunnen worden geïndexeerd, alsof werkgever de eindloonregeling met ingang van die datum voor al zijn werknemers onder dezelfde voorwaarden als in de jaren voor 2016 zou hebben voortgezet bij Zwitserleven. Werkgever heeft niet gehandeld conform de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Europe (Locatie Den Haag), 18-01-2022