Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 9, editie 2. Daarin vindt u een overzicht van 25 in februari 2026 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Beëindiging indexatie is in strijd met goed werkgeverschap, PR 2026-0069
Het gaat in deze zaak om de vraag of een werkgever heeft gehandeld in strijd met de pensioenovereenkomst door de indexeringsregeling die daarvan deel uitmaakte stop te zetten. Het hof verklaart voor recht dat Oskam jegens de gepensioneerden niet gerechtigd was om in 2022 de indexeringsregeling zoals opgenomen in het pensioenreglement eenzijdig te beëindigen. De werkgever is op grond van de pensioenovereenkomst en het nawerkend goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW gehouden om de pensioenaanspraken van de pensioengerechtigden te indexeren overeenkomstig de indexaties die Bpf Bouw toekent aan haar slapers en gepensioneerden (ECLI:NL:GHARL:2026:771).
Manege die naast paardrijlessen zorgactiviteiten verricht, valt onder verplichtstelling PFZW, PR 2026-0073
Geschil over de vraag of een zorgmanege onder de werkingssfeer van PFZW valt. De activiteiten bestaan hoofdzakelijk uit paardrijlessen. Vanaf 2021 is er kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag. Werkgeefster verleent volgens de kantonrechter zorg in de vorm van begeleiding gefinancierd uit de Wmo en Wlz. Dat haar activiteiten hoofdzakelijk uit rijlessen bestaan, doet niet ter zake: voor deze categorie geldt geen hoofdzakelijkheidscriterium. Het beroep op de ggz-uitzondering slaagt evenmin, nu werkgeefster niet heeft betwist dat deze uitzondering uitsluitend ziet op zorg door psychologen en psychotherapeuten (ECLI:NL:RBMNE:2026:371).
Beleggingsrisico tijdens periode waardeoverdracht rust op pensioenconsument, PR 2026-0087
De consument was ontevreden over de uitvoering van de waardeoverdracht. In de korte periode dat deze plaatsvond, is de waarde van de beleggingen door de ontwikkelingen op de beurs fors gedaald (12%). De consument stelt de pensioenuitvoerder hiervoor aansprakelijk omdat deze daarop niet adequaat heeft gehandeld. KIFID begrijpt de teleurstelling van de consument dat de ontwikkelingen op de beurs gedurende deze korte periode een relatief grote impact hebben gehad op de waarde die aan de andere pensioenuitvoerder is overgedragen, maar dit was vooraf niet te voorzien en kan bovendien niet voor rekening van de pensioenuitvoerder komen. Het beleggingsrisico rust gedurende de gehele periode die een waardeoverdracht in beslag neemt op de consument. De vordering wordt afgewezen (KIFID 2026-0107).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar klantenservice@boom.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hof
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden De pensioengerechtigden zijn in dienst geweest bij Oskam en zijn inmiddels met pensioen. Het gaat in deze zaak om de vraag of Oskam heeft gehandeld in strijd met de pensioenovereenkomst door de indexeringsregeling die daarvan deel uitmaakte stop te zetten. Het hof verklaart voor recht dat Oskam jegens de gepensioneerden niet gerechtigd was om in 2022 de indexeringsregeling zoals opgenomen in artikel 16 van het Pensioenreglement PR NN eenzijdig te beëindigen en dat Oskam op grond van de pensioenovereenkomst en het nawerkend goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW gehouden is om de NN-pensioenaanspraken van de pensioengerechtigden te indexeren overeenkomstig de indexaties die Bpf Bouw toekent aan haar slapers en gepensioneerden. Het hof veroordeelt Oskam tot nakoming van de pensioenregeling, in de zin dat Oskam ten behoeve van de pensioengerechtigden wordt veroordeeld tot (af)financiering van de verschuldigde indexaties op grond van artikel 16 Pensioenreglement PR NN. 10-02-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Bedrijfstakpensioenfonds Vervoer heeft dwangbevel betekend aan eigenaar eenmanszaak in transportsector. Eigenaar is in verzet gekomen. Kantonrechter heeft dwangbevel buiten werking gesteld. Hof heeft in tussenarrest overwogen dat bewijslast verschuldigdheid bedragen rust op het bedrijfstakpensioenfonds. Het hof komt, op basis van alle voorhanden bewijsmiddelen, tot het oordeel dat Bpf Vervoer is geslaagd in de bewijslevering voor wat betreft [persoon A], [persoon B] en [persoon D]. Voor wat betreft [persoon C] is Bpf Vervoer niet geslaagd in de bewijslevering. Het hof is van oordeel dat het dwangbevel deels niet juist is (voor zover het betrekking heeft op [persoon C], [persoon E], [persoon F], [X], [persoon G] en [persoon H]). Dat leidt ertoe dat de kantonrechter naar het oordeel van het hof het dwangbevel terecht buiten effect heeft gesteld. Het hof is voorts van oordeel dat er geen rechtsgeldige titel was voor de door Bpf Vervoer getroffen executiemaatregelen. Bpf Vervoer is verplicht de geëxecuteerde bedragen aan X terug te betalen. Bpf moet akte nemen welk bedrag per werknemer verschuldigd is. 28-10-2025
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland Gedaagde heeft pensioenpremie werknemers ondanks aanmaning te laat betaald. Pensioenfonds vordert de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Die worden toegewezen. 11-02-2026
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant In deze zaak verzoekt de gemeente om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verweerder. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan verweerder wordt, naast een transitievergoeding, een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de gemeente. De door werknemer gestelde pensioenschade wordt daarbij gedeeltelijk meegenomen, waarbij niet kan worden uitgesloten dat werknemer bij een eventuele andere werkgever wellicht nog pensioen kan opbouwen. Ook moet de gemeente een passende regeling treffen voor verweerder, zoals dat is beschreven in de cao. 03-02-2026
- Rechtbank Noord-Holland Werkneemster is niet tijdig en deugdelijk geïnformeerd over een wijziging in de pensioenregeling, namelijk het vervallen van de werknemersbijdrage. Daardoor heeft werkneemster de kans gemist om bij een juiste voorstelling van zaken alsnog deel te nemen aan die regeling. In dit eindvonnis staat nog uitsluitend de omvang van de door werkneemster geleden pensioenschade vanaf 1 januari 2011 ter discussie. De kantonrechter wijst een beperkt deel van de vordering van € 72.766 toe en begroot de schade op € 5.000. De kantonrechter stelt de kans op deelname per 1 januari 2011 schattenderwijs vast op 50%, hetgeen tevens het percentage is waarvoor causaal verband wordt aangenomen. 24-01-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Geschil over de vraag of een zorgmanege onder de werkingssfeer van PFZW valt. De activiteiten bestaan hoofdzakelijk uit paardrijlessen. Vanaf 2021 is er kleinschalige dagbesteding voor mensen met een zorgvraag. Werkgeefster verleent volgens de kantonrechter zorg in de vorm van begeleiding (art. I-A ad a sub 4), gefinancierd uit de Wmo en Wlz. Dat haar activiteiten hoofdzakelijk uit rijlessen bestaan, doet niet ter zake: voor deze categorie geldt geen hoofdzakelijkheidscriterium. Het beroep op de ggz-uitzondering slaagt evenmin, nu werkgeefster niet heeft betwist dat deze uitzondering uitsluitend ziet op zorg door psychologen en psychotherapeuten. 14-01-2026
- Rechtbank Overijssel Een werknemer heeft een arbeidsongeval gehad. De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld zijn schadebegroting nader te onderbouwen en toe te lichten door een vergelijking te maken in inkomen tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie zonder ongeval. Nu zowel de berekening van bedrijf 1 als de berekening van bedrijf 2 niet voldoet aan hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de schadeberekeningen te worden herzien. Op de herziene schadeberekening mag bij akte worden gereageerd. 13-01-2026
- Rechtbank Den Haag Verzoek tot echtscheiding van man. Pensioenverweer van vrouw slaagt, waardoor verzoek tot echtscheiding wordt afgewezen. 07-01-2026
- Rechtbank Den Haag In Nederland aangegaan geregistreerd partnerschap tussen Belgische man en Ierse vrouw woonachtig in Nederland wordt ontbonden. Man moet kinderalimentatie betalen, geen partneralimentatie. Vrouw en kind blijven vooralsnog in echtelijke woning, die verkocht mag worden. Ook buitenlandse woning moet verkocht worden. Pensioen moet verevend worden. 30-12-2025
- Rechtbank Midden-Nederland Eisende partij is tot 2008 medeaandeelhouder/bestuurder geweest van P&S Holding. In 1995 hebben partijen een lijfrenteovereenkomst gesloten. Eisende partij heeft vanaf dat moment daarnaast een pensioenvoorziening opgebouwd in P&S Holding. Eisende partij stelt dat hij op grond van deze overeenkomsten vanaf 1 mei 2024 recht heeft op maandelijkse uitkeringen van lijfrente en pensioen. Omdat P&S Holding weigert die uitkeringen te betalen, vordert eisende partij in deze procedure (kort gezegd) afstorting van de lijfrente en het pensioen. De kantonrechter wijst die vorderingen grotendeels toe. De kantonrechter vindt dat voldoende is komen vast te staan dat eisende partij recht heeft op indexering van zijn pensioen, maar niet dat hij recht heeft op de rekenrente over de lijfrente. Het verweer van P&S Holding dat er is ‘geknoeid’ met documenten wordt verworpen. Dat geldt ook voor het verweer van P&S Holding dat zij niet tot uitbetaling hoeft over te gaan totdat een te benoemen actuaris door eisende partij volledig is geïnformeerd over de afspraken tussen eisende partij en zijn ex-echtgenote over verevening van het pensioen. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat de ex-echtgenote van eisende partij binnen twee jaar na de echtscheiding aan P&S Holding heeft meegedeeld dat er tot pensioenverevening moet worden overgegaan. 10-12-2025
Antillen
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba Verzoekster verzoekt tot betaling van achterstallig loon, ontbrekende en juiste loonstroken aan haar ter beschikking te stellen en ingehouden pensioenpremies af te dragen aan de verzekering. Verweerder heeft geen verweer gevoerd en wordt bij verstek veroordeeld. 04-02-2026
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba Het gerecht beslist over de verdeling van een in 2011 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De waarde per de peildatum van sommige vermogensbestanddelen wordt in redelijkheid door het Gerecht vastgesteld. De vrouw heeft voorgesteld dat ieder van partijen de eigen pensioenaanspraken behoudt, zonder verrekening met de ander. Daarmee is de man akkoord gegaan. 04-02-2026
Uitspraken zonder ECLI
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening Geschil over de vraag of de zorgplicht is geschonden door een pensioenuitvoerder in het kader van prudent beleggen. Onder controle brengen van het renterisico en het streven naar een zo stabiel mogelijke pensioenuitkering is prudent. De commissie heeft, op basis van de beschikbare informatie en documentatie, geen reden om aan te nemen dat de pensioenuitvoerder niet prudent heeft belegd dan wel op andere wijze tekort is geschoten. 2026-02-26
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening Door een administratieve fout van de pensioenuitvoerder heeft bij de pensioeningang van de consument geen pensioenverevening plaatsgevonden, waardoor hij een te hoge pensioenuitkering heeft ontvangen. De pensioenuitvoerder vordert het te veel betaalde pensioen terug op grond van onverschuldigde betaling en heeft een gedeelte daarvan verrekend met de pensioenuitkering van de consument. De commissie oordeelt dat het voor de consument duidelijk was c.q. had moeten zijn dat de uitkering hoger was dan waar hij recht op had. Naar het oordeel van de commissie is niet van feiten of omstandigheden gebleken die een beroep van de consument op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. 2026-02-17
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening Zorgplicht pensioenuitvoerder in het kader van prudent beleggen. Onder controle brengen van het renterisico en het streven naar een zo stabiel mogelijke pensioenuitkering. De commissie heeft, op basis van de beschikbare informatie en documentatie, geen reden om aan te nemen dat de pensioenuitvoerder niet prudent heeft belegd dan wel op andere wijze tekort is geschoten. 2026-02-16
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening De consument vindt dat de pensioenuitvoerder hem onvoldoende heeft geïnformeerd bij de uitvoering van de uitkeringsovereenkomst en bij de uitvoering van de premieovereenkomst, onder meer over indexatie. Daarnaast vindt de consument dat de pensioenuitvoerder meer actie richting zijn voormalige werkgever had moeten ondernemen. De commissie is van oordeel dat de pensioenuitvoerder voldaan heeft aan zijn wettelijke informatieplicht en dat hij de consument voldoende heeft geïnformeerd. Van de pensioenuitvoerder mag niet meer actie richting de werkgever worden verlangd. 2026-02-16
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening Geschil over de vraag of de zorgplicht van een pensioenuitvoerder in het kader van prudent beleggen is geschonden. Het onder controle brengen van het renterisico door een belegging in Matching Funds en het streven naar een zo stabiel mogelijke pensioenuitkering is prudent. Niet gebleken is dat de pensioenuitvoerder niet prudent heeft belegd of op andere wijze te kort is geschoten. 2026-02-13
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening De consument klaagt over het waardeverlies van de uitkering onder zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. De commissie oordeelt dat de verzekeraar niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht, geen misleidende productinformatie heeft verstrekt en niet gehouden kan worden de uitkering van de consument onder de verzekering te corrigeren voor waardeverlies (indexatie). 2026-02-06
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening De consument is ontevreden over de uitvoering van de waardeoverdracht. In de korte periode dat deze plaatsvond, is de waarde van de beleggingen door de ontwikkelingen op de beurs fors gedaald (12%). De consument stelt de pensioenuitvoerder hiervoor aansprakelijk omdat deze daarop niet adequaat heeft gehandeld. De commissie begrijpt de teleurstelling van de consument dat de ontwikkelingen op de beurs gedurende deze korte periode een relatief grote impact hebben gehad op de waarde die aan de andere pensioenuitvoerder is overgedragen, maar dit was vooraf niet te voorzien en kan bovendien niet voor rekening van de pensioenuitvoerder komen. Het beleggingsrisico rust gedurende de gehele periode die een waardeoverdracht in beslag neemt op de consument. De vordering wordt afgewezen. 2026-02-03
- College voor de Rechten van de Mens Verzoek man om Premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid (PVI) en vrijwillige voortzetting wordt afgewezen door PMT. Man meent dat de voorvoorwaarden voor vrijwillige voortzetting (deelnemingsduur 3 jaar) en WIA-uitkering leidt tot verboden onderscheid naar tijdelijk karakter arbeidsovereenkomst. Het College is van oordeel dat in het geval van verzoeker geldt dat bij zijn afwijzing voor de vrijwillige voortzetting alsmede voor de premievrije pensioenopbouw geen verschil is in behandeling op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van zijn arbeidsovereenkomst. Verweerder heeft daarom geen verboden onderscheid gemaakt op grond van het tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst. 2026-02-09
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Verzoekster wil in aanmerking komen voor verhoogde premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid. ABP wijst het verzoek af omdat verzoeker onvoldoende medisch aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een beroepsziekte. De geschillencommissie volgt het standpunt van het fonds en wijst het verzoek af. 2026-02-24
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Verzoekster ontvangt vanaf 1 januari 2011 ouderdomspensioen. Vanaf 2024 klaagt zij over het feit dat de ouderdomspensioenuitkering te laag is vastgesteld. Dat komt volgens verzoekster door het gebruik van de verkeerde franchise over het deel opgebouwd over 1971 tot 1988. Daarnaast is volgens verzoekster vanaf 1988 tot 2011 de flexibele pensioenregeling onterecht toegepast waardoor de ouderdomspensioenuitkering te laag uitvalt. Verzoekster wil een nabetaling en verhoging van de maandelijkse ouderdomspensioenuitkering vanaf 1 januari 2025. De geschillencommissie wijst de verzoeken af. 2026-02-23
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Verzoeker overweegt eerder met pensioen te gaan. Om de financiële gevolgen te berekenen gebruikt hij de pensioenplanner van het pensioenfonds. Omdat deze niet correct werkt, vraagt hij het fonds om een berekening. Nadat hij met pensioen gegaan is, blijkt zijn pensioen bijna 25% lager dan volgens deze berekening. Verzoeker vindt dat hij hierdoor schade lijdt en wil dat het fonds deze vergoedt. De geschillencommissie wijst het verzoek af omdat het verschil in pensioenbedragen niet is veroorzaakt door een aan het pensioenfonds toe te rekenen fout. 2026-02-12
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Verzoeker ontvangt sinds 2010 ouderdomspensioen van ABP. ABP verlaagt per 1 januari 2024 de ouderdomspensioenuitkering, omdat verzoeker is gaan samenwonen en vanaf 1 september 2022 het AOW-bedrag voor een gehuwde ontvangt. De verlaging betreft het opgebouwde ouderdomspensioen vóór 1 januari 1995. Verzoeker is het niet eens met deze verlaging. Voor de beoordeling van het geschil had de commissie meer informatie nodig van ABP. Daarom deed zij op 5 augustus 2025 een tussenuitspraak. In deze einduitspraak weegt de commissie de van ABP ontvangen informatie over de grondslag van de genoemde verlaging in de wet en het pensioenreglement. Die grondslag heeft de commissie niet aangetroffen en daarom wijst zij het verzoek toe. 2026-02-10
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Na het overlijden van haar echtgenoot ontvangt verzoekster partnerpensioen van ABP. Een deel van het opgebouwde partnerpensioen wordt als bijzonder nabestaandenpensioen uitgekeerd aan de ex-partner van de overleden echtgenoot. Verzoekster stelt dat dit bedrag voor de ex-partner verkeerd berekend is en wil de grondslag inzien waarop de berekening is gebaseerd. Zij meent dat ook haar eigen partnerpensioen als gevolg van deze verkeerde berekening niet klopt. ABP stelt dat het pensioenreglement juist is toegepast en dat de berekeningen correct zijn. De geschillencommissie wijst het verzoek af. 2026-02-09