Update
Beste lezers,
Welkom bij Pensioenrecht Updates, jaargang 9, editie 5. Daarin vindt u een overzicht van zestien in mei 2026 gepubliceerde uitspraken over pensioen. U kunt hier klikken om de pdf vanaf de website te downloaden.
Pensioenrechtspraak voor u geselecteerd
In de Pensioenrecht Updates vindt u een selectie van de belangrijkste rechtspraak over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Op die manier bent u altijd op de hoogte van relevante rechtspraak over pensioen.
Uitspraken van de maand
Zonder hoofdzakelijkheidscriterium ondergrens voor werkgever met activiteiten op verwaarloosbare schaal, PR 2026-0148
De Hoge Raad heeft zich uitgelaten over het geschil over de vraag of een werkgever met beperkte MITT-activiteiten onder de werkingssfeer valt. Dat een verplichtstellingsbesluit niet met zoveel woorden voorziet in een hoofdzaakcriterium of een ander vereiste voor de omvang van de activiteiten die bepalend zijn voor de werkingssfeer van de verplichtstelling, staat er niet aan in de weg dat het met toepassing van de cao-norm aldus wordt uitgelegd dat het voor die omvang wel enige ondergrens inhoudt. Daartoe bestaat in een geval als hier aan de orde aanleiding, gelet op de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een uitleg die zou meebrengen dat geen enkele ondergrens geldt. Het ontbreken van enige ondergrens zou er immers toe leiden dat ondernemingen die vrijwel uitsluitend activiteiten verrichten die niets van doen hebben met de desbetreffende bedrijfstak, toch worden aangemerkt als werkgever in de zin van het verplichtstellingsbesluit. Niet als werkgever kan worden aangemerkt de onderneming die in verhouding tot haar totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren slechts op verwaarloosbare schaal activiteiten verricht zoals genoemd in het verplichtstellingsbesluit. De Hoge Raad casseert het arrest en verwijst terug naar een ander hof (ECLI:NL:HR:2026:795).
Werkgever mocht eigen pensioenregeling aanbieden bij ovo: geen misbruik van recht, PR 2026-0152
Deze zaak ging over de vraag of de verkrijger na overgang van onderneming (ovo) binnen een concern de eigen pensioenregeling mocht toepassen op grond van artikel 7:664 lid 1 onder a BW of de oude pensioenregeling (middelloon) moest voortzetten. De bonden stelden in deze door hen ingestelde collectieve actie dat sprake was van een misbruikconstructie met als doel om de gunstige middelloonregeling die gold voor circa 800 medewerkers om te zetten naar een inferieure pensioenregeling althans een van beduidend mindere kwaliteit. Het hof volgt de bonden niet in hun standpunt. Het enkele feit dat een aangeboden pensioenregeling een materiële verslechtering is ten opzichte van de voor de overgang van onderneming geldende regeling, is op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te komen dat er sprake is van misbruik van recht. Bovendien kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van een inferieure regeling, doordat de nieuwe doorsneeregeling ook voordelen met zich brengt (zoals een lagere premie en dus een hoger nettoloon). De bonden hebben de door hen gestelde verslechtering onvoldoende onderbouwd, gelet op de door XPO III overgelegde verklaringen van pensioenadviseurs WTW en Edmond Halley. Uit hun verklaringen en calculaties op basis van de werknemerspopulatie volgt dat de nieuwe regeling een verbetering is voor werknemers jonger dan 32 jaar (ECLI:NL:GHSHE:2026:105).
OR kan indexatieafspraak voorleggen aan rechter; werkgever handelt in strijd met goed werkgeverschap door niet aanvullend indexatie te financieren, PR 2026-0155
In 2005 hebben de ondernemingsraad en ExxonMobil een afspraak gemaakt over indexatie van de pensioenen van de gepensioneerden. Volgens de schriftelijke afspraken is een voorwaardelijke indexatie afgesproken, met de ambitie om jaarlijks te verhogen met 90% van de afgeleide consumentenprijsindex (CPI) tot maximaal de loonsverhoging van de actieven. Daarnaast is afgesproken dat de onderneming in bijzondere omstandigheden kan besluiten extra geld voor indexatie ter beschikking te stellen.
De OR kan op grond van artikel 36 lid 2 WOR een kwestie over naleving van een pensioenindexatie-afspraak aan de kantonrechter voorleggen. De werkgever handelde volgens de kantonrechter in strijd met eerder gemaakte afspraken met de OR en in strijd met goed werkgeverschap, door in de gegeven omstandigheden geen aanvullende financiering voor indexatie beschikbaar te stellen voor gepensioneerden. De kantonrechter is van oordeel dat er over de jaren 2021 tot en met 2024 aanleiding was om aanvullende compensatie ter beschikking te stellen voor de indexatie van de gepensioneerden (ECLI:NL:RBROT:2026:5176).
Uitspraken, vragen of opmerkingen zijn welkom
De redactie ontvangt graag niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken en vragen of opmerkingen over deze nieuwsbrief. U kunt mailen naar klantenservice@boom.nl.
Tot de volgende update.
Mark Heemskerk
Hoogleraar pensioenrecht Radboud Universiteit Nijmegen
Advocaat-partner held (www.heldlaw.nl)
e-mail: mark@heldlaw.nl / m.heemskerk@jur.ru.nl
Hoge Raad
Hof
- Gerechtshof Amsterdam Kern van het geschil is de verplichting tot afstorting van pensioenrechten in een pensioenvennootschap na echtscheiding. De rechtbank had aan de hand van een deskundigenbericht de omvang van de af te storten pensioenaanspraak vastgesteld op € 293.771 in een door gedaagde aan te wijzen eigen pensioenvennootschap. Het hof oordeelt dat dit geen nadelige fiscale consequenties heeft. Het hof ziet niet in dat X-bv een liquiditeitsprobleem zou hebben vanwege de betaling van het door de rechtbank vastgestelde bedrag naast de ‘reguliere’ betalingen aan eiser zelf als pensioengerechtigde. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er na afstorting van de pensioenaanspraken van gedaagde onvoldoende kapitaal in de vennootschap achterblijft of kan worden vrijgemaakt. 12-05-2026
- Gerechtshof Den Haag Het hof heeft bij tussenarrest geoordeeld dat Aon geen voldoende zwaarwichtig belang heeft voor eenzijdige wijziging van de pensioenregeling. Omdat het moeilijk, zo niet onmogelijk, zal zijn een pensioenuitvoerder te vinden die bereid zal zijn de middelloonregeling met terugwerkende kracht te herstellen, is vervangende schadevergoeding aangewezen. Het hof heeft bij tussenarrest aanwijzingen gegeven voor de berekening van de schade. Het hof constateert dat Aon niet volledig de aanwijzingen voor de berekening van de schade heeft opgevolgd. Het hof verzoekt Aon aanvullende informatie te leveren. 12-05-2026
- Gerechtshof Den Haag Het hof bepaalt dat het pensioenverweer van de vrouw niet slaagt. De door de vrouw gestelde achteruitgang in pensioenaanspraken kan opgevangen worden door het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering op het leven van de man. De man is ook bereid hieraan mee te werken. Naar het oordeel van het hof is aldus redelijkerwijs van de vrouw te verwachten dat zijzelf voldoende voorzieningen treft. 15-04-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch In geschil is de vraag of de directeur/enig aandeelhouder van een in Nigeria gevestigde vennootschap zich jegens twee voormalige werknemers privé heeft verbonden om aan hen een loyaliteits-/pensioenbonus uit te betalen, zulks in verband met het werknemerschap en de dienstjaren van die werknemers bij een tweetal in Nederland gevestigde vennootschappen die gelieerd zijn aan de in Nigeria gevestigde vennootschap. Er is een deskundigenbericht van het IJI. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Het Hof oordeelt dat de directeur van een in Nigeria gevestigde vennootschap zich naar Nigeriaans recht jegens twee voormalige werknemers privé heeft verbonden om aan hen een loyaliteits-/pensioenbonus uit te betalen. 10-02-2026
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch Deze zaak betreft de vraag of de verkrijger na overgang van onderneming binnen een concern de eigen pensioenregeling mag toepassen op grond van artikel 7:664 lid 1 onder a. BW of de oude pensioenregeling moet voortzetten. De bonden stellen in deze door hen ingestelde collectieve actie dat sprake was van een misbruikconstructie met als doel om de gunstige middelloonregeling die gold voor circa 800 medewerkers om te zetten naar een inferieure pensioenregeling althans een van beduidend mindere kwaliteit. Het hof volgt de bonden niet in hun standpunt. Het enkele feit dat een aangeboden pensioenregeling een materiële verslechtering is ten opzichte van de voor de overgang van onderneming geldende regeling, is op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te komen dat er sprake is van misbruik van recht. Bovendien kan niet worden geoordeeld dat er sprake is van een inferieure regeling, doordat de nieuwe doorsneeregeling ook voordelen met zich brengt (zoals een lagere premie en dus een hoger nettoloon). De bonden hebben de door hun gestelde verslechtering onvoldoende onderbouwd, gelet op de door XPO III overgelegde verklaringen van [persoon A] van Willis Towers Watson, die als pensioenadviseur van GXO betrokken was bij de totstandkoming van de nieuwe pensioenregeling en van [persoon B] van pensioenadviesbureau Edmond Halley. Uit hun verklaringen en de door Edmond Halley uitgevoerde calculaties op basis van de daadwerkelijke werknemerspopulatie van XPO III, volgt dat de nieuwe regeling een verbetering is voor werknemers jonger dan 32 jaar. 20-01-2026
Rechtbank
- Rechtbank Midden-Nederland Geschil over de vraag wanneer de arbeidsovereenkomst van een statutair bestuurder met een pensioenontslagbeding eindigt. In het pensioenontslagbeding staat dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de eerste dag van de maand na de datum waarop werknemer de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij op grond van de pensioenregeling een andere datum geldt. Sinds 1 januari 2022 is op werknemer het pensioenreglement van Zwitserleven van toepassing. In dat reglement is een pensioenrechtleeftijd van 68 jaar opgenomen. De kantonrechter oordeelt met toepassing van de Haviltex-maatstaf dat de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. 13-05-2026
- Rechtbank Rotterdam In 2005 hebben de ondernemingsraad en ExxonMobil een afspraak gemaakt over indexatie van de pensioenen van de gepensioneerden. Volgens de schriftelijke afspraken is een voorwaardelijke indexatie afgesproken, met de ambitie om jaarlijks te verhogen met 90% van de afgeleide consumentenprijsindex (CPI) tot maximaal de loonsverhoging van de actieven. Daarnaast is afgesproken dat de onderneming in bijzondere omstandigheden kan besluiten extra geld voor indexatie ter beschikking te stellen. De OR kan op grond van artikel 36 lid 2 WOR een kwestie over naleving van een pensioenindexatie-afspraak aan de kantonrechter voorleggen. De werkgever handelde volgens de kantonrechter in strijd met eerder gemaakte afspraken met de OR en in strijd met goed werkgeverschap, door in de gegeven omstandigheden geen aanvullende financiering voor indexatie beschikbaar te stellen voor gepensioneerden. De kantonrechter is van oordeel dat er over de jaren 2021 tot en met 2024 aanleiding was om aanvullende compensatie ter beschikking te stellen voor de indexatie van de gepensioneerden. 04-05-2026
- Rechtbank Midden-Nederland Verstekvonnis na kort geding waarbij werkgever niet is verschenen. Werkgever wordt onder meer veroordeeld om werknemer met terugwerkende kracht per 1 november 2024 opnieuw aan te melden bij Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (StiPP) en om aan StiPP te voldoen (ten name van werknemer) het verschuldigde bedrag aan pensioenpremies over de periode van 1 november 2024 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Tevens dient werkgever achterstallig loon te betalen. 29-04-2026
Centrale Raad van Beroep
Antillen
Uitspraken zonder ECLI
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening De consument is met pensioen en ontvangt twee pensioenuitkeringen van de pensioenuitvoerder. Hij klaagt dat de pensioenuitvoerder de ene pensioenuitkering niet indexeert. Voor de andere pensioenuitkering vordert hij dat de indexatie op tijd wordt betaald. Hij mist bovendien een adequaat antwoord op de door hem gestelde vragen. De consument vordert een bedrag van € 2.784 aan niet toegekende indexering vermeerderd met rente wegens het te laat uitbetalen van de indexering. De commissie komt tot het oordeel dat uit het pensioen-reglement niet voortvloeit dat de consument recht heeft op indexatie op de eerste pensioenuitkering. De pensioenuitvoerder heeft tijdens de zitting erkend dat de indexatie op de tweede pensioenuitkering te laat is betaald. Een rente¬vergoeding is dan op zijn plaats. Hoewel de beantwoording van de vragen van de consument beter had gekund, is de consument hierdoor niet benadeeld. De commissie wijst de vordering van de consument deels toe, in de zin dat gesproken kan worden van schending van de zorgplicht zonder hier een materiële schadevergoeding aan te verbinden. 2026-05-11
- Klachteninstituut Financiële Dienstverlening Betrokkene verschilt van mening met zijn pensioenuitvoerders over de interpretatie van de indexatiebepaling in zowel de pensioenovereenkomst als het pensioenreglement omdat zijn aanspraken niet meegroeien met de inflatie. De pensioenuitvoerders vinden dat hun niets te verwijten valt omdat de werkgever jaarlijks beslist of de aanspraken worden geïndexeerd. Hun rol is beperkt tot het uitbrengen van een offerte aan de werkgever om het pensioen te indexeren. De pensioenuitvoerders kunnen een indexatie niet afdwingen; het is en blijft een besluit van de werkgever. Verder klaagt de consument dat de pensioenadviseur hem bij indiensttreding niet heeft gewaarschuwd dat er geen indexatie was. De pensioenadviseur heeft daardoor zijn zorgplicht geschonden. De commissie oordeelt dat de consument er niet op heeft mogen vertrouwen dat er sprake is van een onvoorwaardelijke indexatie en wijst de vorderingen af. 2026-05-11
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Verzoeker stelt dat hij als zelfstandig schilder tussen 1991 en 2003 verplicht deelnemer was en premie betaalde, maar het fonds heeft geen pensioenopbouw geregistreerd. Hij wijst op mogelijke administratieve fouten en het feit dat een werknemer die hij in dienst had in dezelfde periode wel pensioen opbouwde. Het fonds stelt dat premiebetaling niet is aangetoond en dat voor zelfstandigen het principe ‘geen premie, geen recht’ geldt. De commissie oordeelt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij premie heeft betaald en wijst de verzoeken af. 2026-05-15
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Pensioenfonds besluit om geen nabestaandenpensioen toe te kennen aan verzoeker in de vorm van partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen, omdat niet is voldaan aan de reglementaire voorwaarden. Verzoeker wil op basis van redelijkheid in aanmerking komen voor partnerpensioen of bijzonder partnerpensioen. Het pensioenfonds oordeelt dat er geen aanleiding bestaat de hardheidsclausule toe te passen. Verzoeker is het daar niet mee eens. De commissie wijst de verzoeken van verzoeker af. 2026-04-29
- Geschilleninstantie pensioenfondsen Verzoeker vraagt Aanvulling Samenvallende Diensttijd aan. ABP wijst het verzoek af omdat er op 1 januari 1996 geen pensioenopbouw is. Dit is het gevolg van een waardeoverdracht naar een ander fonds. Verzoeker meent dat er op 1 januari 1996 wel pensioenopbouw is en vraagt aan de geschillencommissie om ABP de Aanvulling Samenvallende Diensttijd toe te laten kennen. De geschillencommissie wijst het verzoek af. 2026-05-15